De meeste mensen die ik ooit ben geweest
verloor ik gaandeweg uit het oog
maar mijn vijftienjarige ik rij ik elke ochtend voorbij.
Als een ja-neevraag leunt hij tegen een bushalte.
Met zijn handen in zijn zakken somt hij op
waar hij zijn leven voor zou geven.
Het is niet veel. Het is alles tegelijk.
Mijn bejaarde ik zit naast mijn ik van tien.
Samen kijken ze door het raam. De vogels,
de wolken, de dagen die weer langer worden.
Mijn ene ik wiebelt op zijn stoel en ratelt honderduit.
Mijn andere ik verstaat hem niet.
Mijn ik van achtentwintig stond gisteren voor mij aan de kassa.
Met de flair van geld droeg hij een nieuwe winterjas.
Hij rook naar uitnodigingen, schouderklopjes en applaus,
zag er moe uit, leek niets anders gewend.
Mijn ik van zeven overspoelt elke woensdagmiddag de straten.
Onafgebroken leert hij nieuwe talen. Hij kent het spijkerschrift
van kwetterende zussen, het Engels van over de oceaan
en kan als geen ander hooglopend zwijgen in het Frans.
Als alle mensen die ik ooit ben geweest
samen in een ruimte zouden zitten: de ontheemde,
de losgeslagene, de boekhoudende, de aanlengende,
de ontwijkende en de wegwuivende, allemaal
tot en met de allereerste, de immer lichtzinnige,
dat stemmenorkest zou vervlechten tot een nest
van wilgentakken die elkaar tegenspreken
met de akoestiek van een Grieks masker.
Almaar dieper, tot aan de laagste noot. Heser ook,
verdund door de jaren van water en brood

Max Temmerman