“Iedereen slaapt. Slaap verbindt het verleden met vandaag. Slaap verteert, hecht de wonden. Slaap stelt rijk en arm, man en vrouw, mens en dier gelijk. Iedereen, buiten mij.”De Belgische schrijfster Annelies Verbeke schrijft in haar eerste roman het verhaal over Maya en Benoit. Maya heeft een slaapstoornis. Tijdens haar eerste slapeloze nacht komt ze haar lotgenoot Benoit tegemoet. Maya probeerde eerder al allerlei tips uit die ze kreeg van haar naasten zoals warme melk met een scheutje honing, ontspanningstherapieën en vele andere gelijkwaardige manieren, maar tevergeefs. Na de breuk met haar onbegripvolle vriend Remco die als een roosje naast haar sliep voelde ze zich eenzamer dan ooit tevoren. Terwijl velen ’s nachts thuis, in hun bed de tijd al slapend doorbrengen, dwaalt Maya door de straten. Tijdens een van deze wandelingen kwam zij Benoit tegen, hij had hetzelfde aan de hand. ‘Ik zou enkel met iemand kunnen omgaan die ook slapeloos is want de rest begrijpt me niet.’ dacht Maya. De roman krijgt interessante en diepe dimensies door de verhalen die de twee personages vertellen. Beide slapelozen zitten in hetzelfde schuitje als het aankomt op het onvrijwillig buiten de maatschappij vallen door het niet normaal kunnen functioneren op vlak van overdag werken en ’s avonds slapen zoals de meerderheid het wel doet.

We kunnen ons er niet van weerhouden om sympathie op te brengen voor de karakters van Verbeke. De karakters verlangen zo hard naar een normaal leven dat ze er heel sterk onder lijden. Ze wisten ook dat ze met deze verwachtingen die ze hadden over een gewoon normaal leven ook niet tevreden

zouden zijn. De schrijfster geeft doelgericht en sterk metaforisch een sterke basis aan haar verhaal.

In ‘Slaap’ wil de schrijfster de lezer onder druk zetten, aan het lachen brengen, mensen verbinden en mensen ervaringen laten opdoen.

Gekruid met een scheutje ironie, bondig, poëtisch en een poging tot solidariteit.

Slaap!

“Klaarwakker keek ik de rest van die zonnige dag vanaf mijn bed naar het slaapkamerraam. Het kon niet. Misschien moest ik haar maar nooit meer zien. Waarom zocht ze mij op? Ik kon dat kind toch niet blijven opzadelen met mijn vergooide leven? Dat ze op mijn moeder leek was niet meer dan een tragisch toeval. Die nacht zou ik haar zeggen : ‘Nee, meisje, nee, het gaat niet. Ik kan jouw maatje niet zijn. Ik heb grijs haar, ben een slecht mens en wil met je vrijen.’ Ik zou papieren zakdoekjes meenemen oor het geval ze ging huilen.

Ik vond haar in Café Sport bij valavond. Ze schoof een boekje over klinisch slaaponderzoek over de bar naar me toe. Het kwam me bekend voor.

‘Voulez-vous danser avec moi, Benoit?’ zong ze even later overdreven articulerend. Haar mascara had zwarte vlekken op haar wangen en slapen gemaakt, haar lippenstift zat buiten de lijntjes. Maar hier waren geen grensrechters, geen goed fatsoen of bazen.

‘Mais oui, ma reine, bien sûr’, zei ik en ik legde een arm om haar middel, een hand in de hare. Frieda grinnikte ons te toe en doorzocht haar povere muziekcollectie. Even later schalde Jacques Brels ‘La Valse à Milles Temps’ door de boxen. Ik draaide haar rond en rond, ma reine. Ze gooide haar hoofd in haar nek en lachte. Het handgeklap van de weinige andere gasten vloeide over in het ruisen van ons zeetje.

I k proefde het zout dat uit mijn haren droop en zag hoe mij moeders voeten een cirkel achterlieten in het zand. Een twee drie, een twee drie. Sneller! Harder! Ik trok mijn moeders arm de goede richting uit. Maya leek boven de grond te zweven. Haar ogen straalden. Laat dit nooit ophouden, laat me nu niet denken dat het ooit ophoudt, laat dit noot ophouden. Zij zou mij redden, ze was mij aan het redden.

We hijgden en zweetten en ze nam mijn hete hoofd tussen haar handen. Frieda en haar cliënteel gingen staan en riepen : ‘Encore!’

‘Huil je?’ vroeg ze.

‘Een beetje’, zei ik en ik lachte.

‘Wij zijn maten hè, Benoit?’

‘Tuurlijk.’ ’’

Annelies Verbeke, Slaap!, Uitgeverij De Geus,

Tweede druk, 2003, p. 80-81.