Ik zette een streepje. En later nog eentje daarnaast. En nog een. Hoeveel waren het er? Hoeveel streepjes heb je eigenlijk nodig? Stel dat ik nog een vierde streepje zet en dat daarmee alle streepjes met elkaar verbonden zijn zonder dat ze een rechte lijn vormen. Of dat ze met elkaar verbonden zijn in hoeken (met scherpe randjes misschien) van negentig graden. Precies als de hoek die de zon op het middaguur met een schip maakt aan de horizon. Of de hoek tussen mijn adem die het raam bewasemt en de snavel van de mus die een nest heeft gebouwd in de top van de boom aan de overkant. Vier streepjes die in hoeken van negentig graden met elkaar verbonden zijn kunnen hoogstens een vierkant vormen. Nemen we vier van die vierkanten en verbinden we die op hun beurt in hoeken van negentig graden, dan hebben we een kubus. Over het algemeen zijn kubussen leeg. En kil. Kil als vogels, kil als wolven die zich niets van elkaar aantrekken. Verwarm je ze, schrijf je er bijvoorbeeld een gedicht voor of vul je ze met herinneringen, dan trekken ze zich nog meer in zichzelf terug. Zo verandert zowel de kleur van de kubus als zijn textuur. Dan verandert de leegte van de kubus, en ook zijn afwezigheid. Van niets veranderen ze plots in alles. Maar wat ze ook zijn, wat je er ook in zou willen zetten, ze laten het niet na iets te zijn. Een kamer namelijk.

En
nog wel
een
kamer
alleen.

kamerenman

Stel je zet er een streepje in, zo een met een lange neus en volle wenkbrauwen, diep als een zanderige zee, en botten die je nog kunt tellen als je een eind verderop in een boom zit, met gedachten die hemzelf het vreemdst zijn maar met een bestaan dat een strikje heeft. Een streepje met een hart, ouder dan dat van jou of mij. Strijk je op de bochel van dat streepje neer, dan kun je bijvoorbeeld gaan naar wat in het verschiet ligt zonder maar een seconde te verliezen, één oogopslag is genoeg om duizend jaar vooruit te kijken. ’s Nachts kun je bijvoorbeeld praten met de dag en doe je overdag boodschappen, dan kun je slapen in de supermarkt. Ren je naar een bank om daar nog net voor sluitingstijd te zijn, dan kun je in een hangmat een siësta houden als was je op het eiland Koefonisia. Geloof me, niemand die zich beledigd voelt, noch de bank, noch de bankbediende die met je praat. Die kent jou trouwens niet, hoe zou hij moeten weten dat je slaapt? Dat je de hele nacht met de dag, met het daglichtdeel van de dagen praat, dat je met hen in andere kamers rondhangt, dat je zelfs steeds maar kinderen met hen maakt en het overdagse deel verdeelt in uren, dagen, maanden, jaren? Eén streepje is genoeg in feite om de kamer te doen verdwijnen.

Met één enkel streepje zet je er miljoenen kamers in, kun je de kamer van je keuze aan een ander verhuren. Eigenlijk is het voldoende om de katten, honden en mensen waar u niets van hebben moet die kamer uit te smijten. Waarom zouden alle katten slagerskatten moeten zijn? Waarom houden ze er dan toch zo van altijd alleen te zijn in een kamer? En, in weerwil van dat gedicht , ook nog het allerliefst in kamers die gekalkt zijn!

Je bent of in de kamer van een streepje of in het streepje van die kamer. Niets anders is een pen dan de poging om van een streepje een kamer te maken, van een kamer een Adam, van een Adam een Man.

En
nog wel
een
Man
alleen.

Daarom wilde ik niet in de golven vallen, noch gevangenisliederen op deze pagina neer schrijven, ik wilde niet leunen tegen de boom in de tuin van de gevangenis in Bursa, ik wilde noch de nachten van verduistering te berde brengen, noch het zweet dat de stoel in de handen stond voordat die onder de voeten van Deniz Gezmiş weggleed. Die zaken heb ik overgelaten aan schrijvers van de ‘schone letteren’.

Met de Kamer en de Man wilde ik het snoer van aaneengeregen woorden tot een eind brengen. Maar zet je al het leed achter elkaar, dan is er tussen de streepjes geen kamer meer te vinden, noch een Man als Adam.

Alleen de ‘Aslı’ van de streepjes is nog over, het ‘oorspronkelijke’ zoals haar naam zegt, aanwezig als een droom, even meedogenloos als echt.

Hen en hun kamers kennen we in deze wereld meestal met namen die mensen krijgen. Maar je weet niet met wat voor vreemde vogel je te maken hebt. Al moeten er heel wat mensen zijn die Erdoğan, ‘een geboren kerel’, heten. Nog voorbij de Mannen waaruit geen Adam is geworden, voorbij Adam zelf, heeft ook een Vrouw die naam gekregen. De een heeft de ander in een kamer opgesloten, terwijl de een is geketend aan leugens, is de ander zelfs in een kamer nog vrijer dan een land, de wereld, de kosmos. En schrijven blijft ze maar in de lege vierkanten voor haar.

De kamer en de Vrouw is zij.
Een
Aslı Erdoğan
is zij.